Michael Ignatieff. Russisch familiealbum

Michael Ignatieff. Russisch familiealbum. Amsterdam, Cossee, 2023, 319 p. Vert. door Niek en Theo Hendriks (oorspr. titel ‘The Russian Album’). Herziene vertaling en uitgave.

De familie Ignatjev is geen onbekende in Rusland en in Bulgarije al helemaal niet : de overgrootvader van de auteur is de grote held van Bulgarije met een standbeeld op het centrale plein in Varna. Het was graaf Nikolaj Ignatjev die in 1877 Bulgarije bevrijdde van het Turkse juk. Deze naam verklaart de russofilie van vele Bulgaren.

De auteur is de nazaat van dit roemrijke geslacht, ook zijn grootvader (Pavel) was een belangrijke en interessante figuur in het tsaristische Rusland : liberaal politicus, Russisch, maar woonachtig in de Oekraïne, waar zij de taal, cultuur en folklore respecteerden. Hoge posten in het ministerie van landbouw, later van onderwijs, voortdurend in conflict met conservatieve krachten (goed vertegenwoordigd in Rusland) en voorstander van moderne, liberale of vooruitstrevende ideeën, o.a. in de zemstvo’s (organen van plaatselijk zelfbestuur), gericht op de welvaart van het land en van de plaatselijke boerenbevolking. Zijn contacten met de tsaar tonen aan dat Nicolaas II een hopeloze loser was die niet wist hoe hij een land moest besturen en die de ene domme beslissing na de andere nam.

De auteur schetst aan de hand van het bewaard gebleven familiealbum en de verhalen van zijn ouders het leven van zijn familie in tsaristisch Rusland. Die behoorde tot de elite van het Russische Imperium en genoten dan ook een leven in rust, welstand en luxe, met chique huizen in de hoofdstad Sint-Petersburg en landgoederen in de provincie, in het geval van Ignatjevs grootvader in de Oekraïne, waarover hij en zijn grootvader met liefde en respect spraken (zijn grootmoeder evenwel deelde de sympathie van haar man voor de Oekraïne niet en kon niet zo goed aarden in die landelijke omgeving). Ook dat is interessant in 2023, wanneer Rusland in oorlog is met het buurland, waarover het beweert één te zijn met Rusland, maar er dan wel een oorlog voor moet voeren. In het nawoord vertelt de auteur zijn bezoek aan het landgoed van zijn grootvader in het nu onafhankelijke Oekraïne en dat levert mooie, hier en daar ontroerende bladzijden op. Over een verleden met een cultuur van samenleven dat nu hopeloos verdwenen is.

In 1917 kwam aan het heerlijke leventje van de familie een einde toen de bolsjewiki de macht grepen en het land in chaos, honger en terreur stortten. In 1919, na een oponthoud in (vlucht naar) de Kaukasus, moest de familie Rusland verlaten. Ze zouden er nooit weerkeren. Berooid kwamen ze uiteindelijk in Canada terecht, waar ze een nieuw leven moesten beginnen en met eigen handen, zonder personeel, hun brood moesten verdienen. De auteur schrijft dat hij ‘niet in wortels gelooft’ (289), maar dit belet hem toch niet te graven naar het verleden, niet eens naar zijn eigen biografie, maar naar die van zijn grootouders en overgrootouders. Het is een ontroerend document geworden, zonder al te veel goedkope romantiek, over een leven dat door meer emigranten liefdevol beschreven wordt, zo in Vladimir Nabokovs Speak memory.

De auteur zelf is niet in Rusland, maar in Canada geboren (1947) en kent Rusland dus alleen van horen zeggen, van de steeds weer opgerakelde verhalen van zijn grootouders. Zelf kende hij geen Russisch, ook dat is een typisch verhaal van de tweede generatie émigrés – soms kozen de ouders ervoor hun kinderen geen Russisch bij te brengen om ze zich beter te laten integreren in de cultuur van het land waar ze terechtgekomen waren : ‘Ik had een verleden van tsaristische avonturiers, overlevenden van revoluties, heroïsche ballingen. Maar hoe meer ik hen nodig had, des te sterker werd ook de aandrang om hen te loochenen, om mijn eigen vleugels uit te slaan.’ (33-34)

Terwijl de grootvader zich eerder over alle armoede en rampspoed heen zette, miste de grootmoeder ‘de overvloed van Rusland’, van haar landgoed : ‘Dat was wat ze nog het meest miste in het omheinde en afgebakende Engelse landschap : de uitbundige, dierlijke overvloed van haar geboortegrond, nu in de jaren twintig een geruïneerd, door honger en ziekte geplaagd land.’ (251)

In de familie van Russische Witte emigranten, hevig anti-communistisch en anti-bolsjewistisch, was er natuurlijk een zwart schaap. In de jaren dertig keerde Aleksej Ignatjev uit de emigratie terug naar Rusland, inmiddels de Sovjetunie, waar hij de rang van generaal kreeg en officieren van het Sovjetleger opleidde. In zijn memoires Vijftig jaar onder de wapenen liet hij zich meewarig uit over de grootvader van de auteur, die nu ‘zijn oude dag slijt in armoede en in zijn levensonderhoud voorziet door in het verre Canada zowaar zijn eigen moestuintje te bewerken’ (281).

Het is verdienstelijk van uitgeverij Cossee om de familieherinneringen van Ignatjev weer uit te geven, blijkbaar in een herziene vertaling en een beetje geactualiseerd door de auteur, maar er ligt één smet op de vertaling : de vertalers zijn er zich blijkbaar niet van bewust dat het Russisch een ander alfabet heeft, zodat Russische namen en realia in het Engels anders getranscribeerd worden als in het Nederlands. Het boek krioelt van de monsterlijke transcripties van Russische realia, zo Toeitsjeff i.p.v. Tjoettsjev, Choedofskoi-koor i.p.v. Tsjoedovskoj, Chaliapin i.p.v. Sjaljapin. De vertalers hebben het voortdurend over bolsjevisten, terwijl bij ons altijd gesproken wordt over bolsjewiki. Dat dit nog mogelijk is in een land waar zoveel uitmuntende kenners van het Russisch rondlopen, stemt tot nadenken.