Marleen de Vries. Verlicht en vilein. Een biografie van achttiende-eeuws Nederland.

Marleen de Vries. Verlicht en vilein. Een biografie van achttiende-eeuws Nederland. Amsterdam, Balans, 2023, 512 p.

De titel intrigeerde me – geen hoogdravende studie over de nobele XVIIIe eeuw, die Immanuel Kant de eeuw van de Verlichting (‘Zeitalter der Aufklärung’) noemde, maar wel een eeuw die niet verlicht was (we leven niet ’in einem aufgeklärten Zeitalter’, 443), een wel trieste conclusie van dit uitvoerige boek over een turbulente eeuw, die, ook al zijn we het doorgaans vergeten, onze moderne tijd heeft bepaald. Frederik de Grote wist het toen al : ‘bijgeloof, eigenbelang, wraak, verraad, ondankbaarheid zullen tot het einde der tijden zorgen voor bloedige, tragische taferelen, want we worden geleid door hartstocht en maar zelden door de rede.’ (20) Meer dan eens komt aan bod dat Nederland niet alleen in de ban van verlichte ideeën was (zij het ook maar een klein gedeelte van de bevolking), maar dat er ook een ‘sterke antiverlichte beweging’ bestond (80). In tegenstelling tot de katholiek gebleven zuidelijke Nederlanden, werd de Republiek verscheurd door religieuze twisten (tussen hervormden, orthodoxe voetianen, liberale coccejanen, arianen, remonstranten, doopsgezinden, socinianen, Waals gelovigen, lutheranen, anglicanen, katholieken, fijnen, deïsten, labadisten, quakers en atheïsten) (89).

In haar Woord vooraf stelt de auteur dat ze het vooral zal hebben over de mensen zelf, wat ze dachten en waarvan ze droomden. Haar opzet noemt ze impressionistisch en biografisch (11) en dat maakt de sterkte uit van dit voortreffelijke boek. Het niet zo eenvoudige begrip ‘verlicht’ omschrijft ze ook als het midden houdend tussen ‘beschaafd’, ‘vooruitstrevend’, ‘tolerant’, ‘mondig’, ‘bewust en ‘activistisch’ (11), dus toch wel veel parallellen met onze eeuw. En dat terwijl de 18e eeuw ‘een vergeten eeuw’ (13) is, alhoewel we het voortdurend over ‘de erfenis van de Verlichting’ hebben (15).

Het boek bulkt van de intrigerende en geslaagde vergelijkingen. De periodiek terugkerende overstromingen in het land vanaf november deden ‘het horrorscenario van hedendaagse klimaatactivisten in werking treden’ (14). Of zou een doorsnee mens van nu het in de 18e eeuw overleefd hebben, ‘gewend als we zijn aan ons comfortabele leven met een minimum aan angst, onzekerheid en pijn’ (19)? Of ‘achttiende-eeuwers hadden korte lontjes en waren minstens zo driftig, direct en grofgebekt als de hedendaagse Nederlanders die zich anoniem uitleven op de sociale media – botheid is een constante in de Nederlandse cultuur’ (20). Deze ‘ziekte’ zou ook door de strijd tussen organisten en patriotten in de hand zijn gewerkt. Predikanten riepen op tot meer fatsoen (396).

Verrassend is de constatering dat het woord ‘toekomst’ niet bestond vóór de 18e eeuw, pas rond 1780 zou het opgedoken zijn en dat in een eeuw waarvan je verwacht dat ze aan de toekomst werkte, dit geldt ook voor het woord ‘cultuur’.

Het aantal thema’s dat in dit boek aan bod komt, is duizelingwekkend. Het is geen droge opsomming van ideeën of gebeurtenissen, maar een samenhangende geschiedenis van wel en wee van meer dan honderd jaar vaderlandse geschiedenis. Spinoza en de radicale Verlichting komt aan bod, het verdriet van Nederland (niet-protestanten kwamen niet in aanmerking voor bestuursfuncties, Joden kregen synagogen, maar katholieken verscholen zich in catacomben), maar het land kon wel lezen, zij het dan ook meestal alleen de Bijbel. Toeristen waren enthousiast over Nederland (de molens, de polders, de kanalen, de trekschuiten en de grachten, de vrouwen – niet omdat ze mooi waren, maar geweldig konden poetsen). Uitvoerig in dit boek komt ‘Neêrlands Israël’ naar voren als een van de ‘gevaarlijkste plekken van Europa’ (53), waar geschriften die elders (vooral in het katholieke Frankrijk) verboden waren vrij uitgegeven konden worden. Maar absolute vrijheid van meningsuiting was een illusie in de Republiek (136), of je moest in het Latijn schrijven, dan konden maar enkele procenten van de bevolking het lezen. De relatief grote vrijheid verklaart waarom pornografie zo goed als ontbrak in Nederland, terwijl ze in Frankrijk haar gouden tijdperk beleefde (280). Tegen het einde van de eeuw werd gepleit voor wetten tegen het misbruik van de drukpers, helemaal iets anders dan ‘losbandigheid van de drukpers’ (397).

Waar de protestantse Republiek niet tolerant voor was, waren de katholieken. Toneel vonden ze maar ‘paapse poppenkast’ (105). De Republiek was de grootste drukkerij ter wereld waar verboden boeken gedrukt kunnen worden, maar het Vaticaan plaatste ze op de katholieke Index van verboden boeken, ‘doorgaans een garantie voor hoge verkoopcijfers’ (93). De cryptokatholiek Joost van den Vondel zag zijn stukken ofwel niet opgevoerd ofwel in gecensureerde vorm (105). Deze eeuw toonde de macht van de media, de predikanten moesten het met de tijd afleggen tegen de vrijpostigheid van de satirische tijdschriften. Homoseksualiteit werd gezien als een katholieke, Italiaanse zonde (183). In 1778 bezocht de Italiaan Carlo Antonio Pilati Nederland, zijn conclusie over de godsdienst was verpletterend : hoe meer het geloof zich distantieert van het katholieke geloof, hoe meer geluk het produceert (318).

Boeiend is ook het verhaal over het Nederlands dat stilaan de status van cultuurtaal kreeg en het Latijn verdrong, het Nederlands werd de voertaal van een nieuwe culturele elite. De media werden belangrijk en getalenteerde schrijvers brachten leven in de doorgaans saaie kranten als de Amsterdamse Courant, de Oprechte Haarlemsche Courant of de Europische Mercurius. Vooral Jan van Gysen bracht persoonlijke en grappige stukjes, die ook nu nog het lezen waard zijn. De tijdschriften werden moraliserend en satirisch en luidden het begin van cultuurkritiek in : de maatschappij werd nu met humor en spot te lijf gegaan. De beroemdste journalist van Nederland, Jacob Campo Weyerman, had een ‘vileine’ pen en inspireerde mede de titel van dit boek. De auteur merkt terecht op : ‘Ooit was er een wereld zonder tijdschriften, zoals er een wereld zonder auto’s was.’ (159)

De onderwerpen die in dit boek behandeld worden, zijn legio. Het is een fascinerende caleidoscoop van een samenleving in beweging, alles komt aan bod, zowel de Nederlandse boef Cartouche als de beurskrach van 1720, de slavenhandel die de rijke panden in Amsterdam bekostigden, de pruik als symbool van de Verlichting, maar die toch in diskrediet kwam bij vooruitstrevende Verlichters, die zich wilden distantiëren van de bravere geleerden of schrijvers. We leren hier ook dat gevangenen bezoeken gezien werd als een populair uitstapje en de luchtballon als het symbool van de Verlichting.

Het boek staat niet alleen vol van wetenswaardigheden, maar ook van leuke formuleringen. Toen een selfmade geneesheer in Groningen promoveerde in het Nederlands in plaats van het gebruikelijke Latijn, werd hij door collega’s niet ernstig genomen; een Haagse arts merkte op dat Groningen zelfs een ezel nog een academische graad zou geven. Over Belle van Zuylen zegt ze : ‘Was de hyperslimme, vrijdenkende en autonome Van Zuylen in onze eeuw geboren, dan had ze het tot minister of hoogleraar kunnen schoppen’ (274). Voor wie het nog niet genoeg overtuigend is : Belle & C° leefden ‘in een sexy en onbeschaamde eeuw met veel vrijheid’ (278).

Veel aandacht wordt besteed aan de strijd tussen de orangisten en de voorstanders van een republiek. Niet alleen was Nederland als (groot-) macht uitgeteld in de tweede helft van de 18e eeuw, maar ook had het orangisme geen politieke theorie (349). De patriotten daarentegen wel, volgens de gezaghebbende historicus Jonathan Israel ‘de eerste moderne, ideologisch onderbouwde, democratische, revolutionaire beweging’ (369). Het mag verwondering wekken dat de Republiek na het avontuur van de patriotten en de Bataafse Republiek in de 19e eeuw weer overstapte naar een monarchie.

In hoofdstuk 20 maakt de auteur de balans van de eeuw op : ‘Hoeveel Verlichting kan een land aan?’ Immanuel Kant was niet erg enthousiast, na de revolutie stak meteen de gedachte op dat de Verlichting mislukt was. Had het grote denken vrijheid of geluk gebracht? Was er eensgezindheid? De mensen bleven egoïstisch en de Hollanders kooplieden, wars van grote, verheven ideeën. Politiek pessimisme voerde de boventoon. Maar toch had het 18e-eeuwse experiment met democratie iets opgeleverd : mensenrechten, grondwet, scheiding kerk-staat, erkenning van alle godsdiensten, vrijheid van mening, allemaal begrippen en realiteiten die niet meer van de politieke agenda zouden verdwijnen. Maar consensus bleek niet haalbaar, daarvoor had de eeuw te veel vrijheid en scheuringen opgeleverd.

Dit boek is een magistrale studie over het begin van Nederlands moderniteit. Verzorgde en rijke taal, pittig geformuleerd, grote en kleine gebeurtenissen in één perspectief samengebracht, vele onbekende of vergeten figuren van onder het stof gehaald. Het smaakt naar meer. In dit geweldige boek heb ik maar één foutje gevonden. De auteur schrijft dat de Russische tsaar Peter I (de Grote) het Anatomisch Kabinet van Frederik Ruysch opkocht en het liet verschepen naar zijn nieuwe hoofdstad Petrograd (55). Maar de stad van Peter heette Petersburg, overigens op zijn Nederlands ‘Pieterburg’.