Kristen R. Ghodsee. Alledaags utopia. Wat tweeduizend jaar experimenteren ons kan leren over het goede leven.

Kristen R. Ghodsee. Alledaags utopia. Wat tweeduizend jaar experimenteren ons kan leren over het goede leven. Berchem, EPO, 2023, 399 p. ISBN 978 94 6267 435 6. Originele titel : Everyday Utopia. What 2,000 Years of Wilde Experiments Can Teach Us About the Good Life.

Ik werd getroffen en getrokken door deze titel, toen ik aan het snuisteren was in de Antwerpse boekenwinkel De Groene Waterman. Ik vond het een uitdagende titel, bijna een these : niet de grote utopieën (‘Kallipolis’, de mooie stad van Platos idele republiek, Thomas Mores Utopia (1516), Tommaso Campanella’s La Città del Sole <De stad van de zon, 1602)>), maar de utopie voor het alledaagse leven, dingen die je kunt halen uit deze grote utopische projecten en toepassen op je alledaagse leven. De lectuur heeft me niet ontgoocheld.

De auteur is een Amerikaanse professor Russische en Oost-Europese studies, wat soms tot uiting komt in het belichten van bepaalde figuren die bij ons minder of niet bekend zijn, maar die haar vertrouwd zijn vanuit haar studie van Russisch of Slavisch gedachtengoed, meer bepaald de visie van de Sovjetse feministe Aleksandra Kollontaj (die het moest afleggen tegen de conservatieve paternalist Lenin), Anton Makarenko (met zijn origineel pedagogisch concept van integratie van handenarbeid en geestelijke arbeid), de Bulgaarse bogomielen.

De centrale stelling van dit omvangrijke, goed gedocumenteerde boek is dat grensverleggend denken ons kan bevrijden (hoofdstuk 1). Na deze algemene inleiding behandelt Ghodsee een zestal belangrijke onderwerpen : het huis (de eengezinswoning – heeft die nog recht van bestaan?), wie moet de kinderen opvoeden, wat is een goede school, is bezit nu echt nodig, moeten we echt in kerngezinnen leven en zouden we niet beter onze ‘netwerken van liefde en zorg uitbreiden’ ? Al deze vragen worden uitgewerkt in uitvoerige hoofdstukken, met soms hier en daar overlapping, maar dat stoort niet in deze vertellende encyclopedie van alternatief denken. ‘In dit boek verken ik alternatieve manieren om onze huizen te bouwen, onze kinderen op te voeden, onze jeugd te vormen, ons bezit te delen en te bepalen wie eigenlijk tot onze familie behoort.’ (46)

De auteur beseft goed dat het woord ‘utopisch’ zwaar beladen is en door conservatieven zwart gemaakt wordt. Haar definitie van utopisch luidt : ‘Utopisch, zoals ik het gebruik, verwijst gewoon naar denkers en bewegingen die probeerden de huiselijke sfeer opnieuw in te richten op manieren die aanzienlijk afweken van de heersende tradities van hun samenlevingen, met als doel in grotere harmonie samen te leven bij het nastreven van seculiere of spirituele doelen’ (11). Haar spectrum is breed, ze beperkt zich niet tot voorbeelden uit de Verenigde Staten (vooral dan de hippiecommunes van de jaren zestig), maar brengt experimenten aan het licht die overal ter wereld uitgeprobeerd werden (Frankrijk, Duitsland, Engeland, Rusland, Azië). Ze citeert daarbij een prachtig citaat van Oscar Wilde die in 1891 schreef : ‘Een wereldkaart zonder Utopia is het bekijken niet waard.’ (12) en in 1934 zei in dezelfde zin Albert Einstein : ‘Verbeelding is belangrijker dan kennis.’

Interessant is de gedachte dat utopische dromen vaak geboren worden op momenten van politieke onzekerheid (19). Dat het boek van Thomas More Utopia al in 1516 gepubliceerd werd, toont dus aan dat al in de zestiende eeuw de toestand van de mensheid door sommigen als problematisch werd ervaren. Het prachtige woord betekent zowel het ontbreken van een plaats (u-topos), dus nergensland, als eutopia = goede plaats (19). In de loop der eeuwen is gebleken dat de door illustere denkers uitgedachte alternatieven als niet haalbaar in de ‘echte’ wereld werden gezien en dat er een ‘diepgaand wantrouwen tegenover politieke verbeelding’ bestond (27) en nog steeds bestaat. Over dat laatste gaat het uitvoerig in het laatste hoofdstuk (over ‘radicale hoop tegen dystopische wanhoop’). Ze baseert zich op de definitie van Karl Mannheim van ideologie : ‘de onzichtbare maar alomtegenwoordige sociale, culturele en filosofische structuur die een bepaalde ‘orde der dingen’ in stand houdt en de mensen beschermt die politieke en economische macht bezitten’ (28). Met deze definitie si het duidelijk dat de machthebbers zich met hand en tand verzetten tegen utopisten en hun ‘onrealiseerbare’ dromen. Soms hebben we een hekel aan de bestaande toestand, maar toch aanvaarden we de status quo, omdat velen van ons ‘te bang, te moe of te lui’ zijn om te dromen (29). Het zijn dan ook ‘meestal mannen, meestal blank en allemaal rijk’ die ons angst inboezemen voor politiek blue-skydenken (= baanbrekend of grensverleggend denken, 33-34).

Is onze eengezinswoning op een afgebakend terrein, gewoonlijk gezien als teken van sociaal en financieel succes, wel zo ideaal ? De auteur herinnert aan allerlei samenlevingsvormen in de loop van de geschiedenis : de middeleeuwse kloosters, de begijnen, de falanstère van Fourier (19e eeuw) of de familistère van Godin (1859, familiepaleis), ‘une utopie réalisée’ (72). Ze herinnert ook aan de gemeenschappelijke kommunalki in de Sovjetunie, maar ik denk dat die ervaring niet zo rooskleurig is als hier beschreven wordt. Uitvoerig staat de auteur stil bij utopische architectuur, nl. coliving en cohousing her en der in Amerika en Europa, die gezien wordt als een ‘reddingsgordel’ ‘voor de moderne mens in een poging om opnieuw zinvolle sociale relaties te creëren die niet langer automatisch door het kerngezin worden geboden’ (84). Volgens critici is dit systeem van cohousing, vooral in Amerika, verworden tot gesloten gemeenschappen voor linkse mensen (95). Een ander punt van kritiek is dat deze ‘linkse’, meestal uit begoede gezinnen stammende samenwoners in geval van mislukking kunnen terugvallen op hun ouders (326).

Hoofdstuk 3 gaat over kinderen - heeft het wel zin ze op de wereld te zetten ? Hoe moeten we ze opvoeden ? Binnen de vier muren van onze eengezinswoning of in een groter geheel, met andere gezinnen of groepen van mensen, al dan niet in familieverband ? In 1848 stichtte John H. Noyes de Oneida-gemeenschap, die het dertig jaar als utopische gemeenschap heeft uitgehouden in de VS, maar dat experimenteren met vrije seks, gezamenlijke opvoeding van kinderen, gelijkheid van man en vrouw e.d. werd niet gepikt in Amerika en de gemeenschap moest zichzelf opdoeken. Ook het Israëlische experiment met kibboetsen en hun niet-ouderlijke zorg komt uitvoerig aan bod (piek 1909-1948). De figuur van de Russische marxiste en feministe Aleksandra Kollontaj krijgt veel aandacht. Ze was invloedrijk in de jaren twintig, wel eens het utopische decennium van de Sovjetunie genoemd, maar Stalin maakte de verworvenheden van de bolsjevistische revolutie ongedaan (1936). Extreem vernieuwend was ook de figuur van de president van Tanzania Julius Nyerer (jaren zestig) die vond dat een school ook een boerderij moest zijn.

Hoofdstuk 5 behandelt de achillespees van ons individualisme – het bezit. Zou het niet beter zijn het bezit op te doeken ? Bezitsdrang verhindert gezond samenleven. Daarbij wordt natuurlijk verwezen naar de bijbel (‘Alle gelovigen waren eensgezind en bezaten alles gemeenschappelijk’, Handelingen 2:44). Deze ‘bijbelcommunisten’ hebben nu nog nazaten in de hutterieten (naar Jakob Hutter, eerste commune in 1528). En in 2022 zouden er over de hele wereld zo’n 238 doelbewuste ecodorpen bestaan (212) ; ze worden zo genoemd en niet aangeduid als commune, een term die eerder lijkt te verwijzen naar een sekte. Uit onderzoek blijkt dat mensen die leven in gemeenschappen die eigendommen delen meer tevreden zijn over hun leven (220) en dat terwijl juist dit aspect de meeste mensen afschrikt (221).

De auteur citeert William Godwin, de vader van het filosofisch anarchisme, die het huwelijk ‘het meest verfoeilijke van alle monopolies’ noemde en voorstelde om alle achternamen af te schaffen (270-271).

In haar soms aanstekelijk engagement voor een utopische ingesteldheid omarmt de auteur de idee van de Duitse filosoof Ernst Bloch (Das Prinzip Hoffnung) van ‘militant optimisme’, ‘een sociaal en psychologisch engagement om zich een betere wereld voor te stellen en ernaar te streven die ook te realiseren’ (303). De populaire cultuur heeft volgens Ghodsee een nefaste invloed op het denken van jonge mensen : er is ‘een overvloed aan dystopische films, boeken en televisieprogramma’s die ons bombarderen met de boodschap dat elke afwijking van onze huidige manier van leven ons onvermijdelijk de dieperik in stort’ (311). Zo worden Brave New World, 1984 en Animal Farm in scholen in Amerika aangeboden om aan te tonen dat socialistische ideologieën gevaarlijk zijn (315) : de beloofde betere wereld blijkt altijd slechter te zijn dan de wereld die hij vervangt (317). Is het dan niet beter, veiliger de status quo te aanvaarden ? De auteur besluit met : ‘Radicale hoop is het krachtigste wapen dat we hebben. Het wordt tijd dat we dat benutten.’ (339).

Een interessant, leerrijk, inspirerend boek.