Katerina Gordejeva. Neem mijn verdriet weg. Stemmen uit de oorlog.

Katerina Gordejeva. Neem mijn verdriet weg. Stemmen uit de oorlog. Amsterdam, Murrow, 2023, 350 p. Vertaald door Jan Lodewijk Eshuis. Oorspr. titel Унеси ты моё горе.

De auteur is een Russische journaliste die in 2014 Rusland verliet uit protest tegen de annexatie van de Krim. Ze woont nu in Letland, zoals veel gevluchte intellectuelen, en heeft een druk bezocht YouTube-kanaal. Sinds het begin van de oorlog heeft ze talloze interviews afgenomen van vluchtelingen overal in Europa en een schat aan ervaringen en indrukken samengebracht van mensen die vaak het niet met elkaar eens zijn, maar wel allemaal treuren om de ellende die de oorlog heeft aangericht. De Russische titel van het boek – ‘Neem mijn leed met je mee’ – is een citaat uit een lied van de Russische dichter Neledinski-Meletski (1796), dat in het laatste verhaal geciteerd wordt (344).

Het boek is een pretentieloze doorsnede van het leed dat de Russen de Oekraïners hebben aangedaan. Menigeen verwenst de Russen ten eeuwigen dage : ‘… opeens bedenk ik : als er een hel bestaat, dan is die bestemd voor degenen die deze oorlog hebben ontketend’ (18-19). ‘Ik wil dat die soldaten vervloekt zijn. Voor altijd, door iedereen…’ (80) Aan bod komen veel mensen uit steden die ons door de nieuwsberichten vertrouwd zijn geworden : Charkov, Marioepol, Cherson. Marioepol was voor de oorlog een mooie stad (26), nu is er niets van over, volledig in puin. En Donetsk was ‘de een-na-de-mooiste industriestad ter wereld. Na Chicago.’ (92)

Voor iemand lijkt haar leven op de hel : ‘Alleen komen mensen normaal gesproken door hun slechte daden in de hel, maar wij zijn er zomaar in terechtgekomen.’ (46) Moeten we dan vluchten ? De meningen zijn verdeeld, sommigen beschouwen de vertrekkers als lafaards, sommigen beseffen dat niemand op hen zit te wachten in Europa (41). De oorlog, ook als men die overleefd heeft, heeft alles overhoop gegooid : ‘Je lijkt gered, en je kinderen ook. Je bent de bommen ontvlucht. Maar jij bent jezelf niet meer. Je bent geen mens meer, maar een vluchteling. Ik bedoel, dit is vanaf nu je nieuwe identiteit.’ (58) ‘Mijn piepkleine stukje aarde, dat me is afgenomen door Russische soldaten, dat is dan ook mijn Vaderland, ze hebben me daar met wortel en al losgetrokken en nu ben ik hier. En ik kan hier niet aarden, ik wil hier niet aarden.’ (60)

De oorlog heeft de verstandhouding tussen Oekraïners en Russen om zeep geholpen, voor velen voor altijd : ‘Ik weet wel dat veel Oekraïners het nu moeilijk vinden om met Russen te praten en al helemaal om in het Russisch te praten, en daar hebben ze alle recht toe.’ (61) Het veel gehoorde argument van Oekraïners : ‘Ik ben met de Russische taal opgegroeid en opgevoed, we spraken altijd Russisch, maar nu haat ik die taal, het is de taal van de oorlog. En breek me de nek niet open over die Poesjkin van jullie. Misschien zullen we later, over honderden jaren, weer aan jullie Poesjkin denken. Maar voorlopig houden we ons bezig met het begraven van onze kinderen, onze steden en ons leven.’ (160) De Oekraïners begrijpen niet wat de Russen bezielt : ‘… waarom doen jullie ons dit aan ? Ik weet niet wat ik ervan moet denken, ik begrijp niet wat jullie van ons moeten, ik begrijp niet hoe we met jullie om moeten gaan.’ (197) Ook Russen keren zich af van hun landgenoten, hun taal en cultuur : ‘Nu leer ik Oekraïens. Als de oorlog voorbij is, zal ik alleen nog maar Oekraïens praten. Dat is mijn eerbetoon aan het land dat zich niet overgaf en zich niet liet kapotmaken toen jullie het zo achterbaks en laaghartig aanvielen.’ (271)

Meestal blijft de vraag naar het waarom onbeantwoord. ‘Toen ik hoorde dat Russische soldaten ons kwamen bevrijden, was ik, weet je, ongelooflijk verrast. Van wie kwamen ze ons bevrijden ? Toevallig waren we al vrij ! We leefden, hadden lief en spraken in de taal waar we in spraken. Ik had mijn hele leven al Russisch gesproken, nou en ?’ (74) ‘Wie heeft u zo opgevoed, wie heeft het u zo geleerd, waarom doet onze pijn u geen pijn, waarom zijn wij geen mensen ? Waarom zijn jullie al acht jaar bij ons aan het moorden en geloven jullie ons niet ?’ (104) ‘En het belangrijkste was : waar was dat allemaal voor nodig ? Wie hebben ze gered, wie hebben ze blij gemaakt ?’ (146) ‘Op welke manier hebben we ons dit op de hals gehaald ? Charkiv is altijd een Russischtalige stad geweest, maar ik weet dat Charkiv Oekraïne is.’ (196) ‘Jullie kwamen, verwoestten mijn leven, bevrijdden ons van mijn huis, van mijn man en van mijn geluk. Bedankt, bevrijders. Wees allemaal vervloekt.’ (244) Iemand zegt tegen de interviewende Gordejeva : ‘Als u correspondent bent, vraag ze dan waar ze in godsnaam mee bezig zijn, en of het überhaupt wel… mensen zijn.’ (336) Of ‘Waarmee zijn ze gedrogeerd, wat is er in hen kapotgemaakt dat ze gewone mensen zo haten ? Ik weet niet wat voor mensen dat zijn en waarom ze zo zijn.’ (101) ‘Lijken, smerigheid, vernieling en haat – dat is wat hun “Russische wereld” ons bracht.’ (139)

Het boek van Gordejeva is een adembenemend getuigenis over onzinnig, onverdiend, onmenselijk leed dat een “broedervolk” de Oekraïners heeft aangedaan. De beste straf voor de aanstoker van dit alles lijkt me de volgende: elke avond op de Russische televisie in primetime een hoofdstuk voorlezen uit dit boek.