Antoon Vrins. De afrekening. Geweld tegen collaborateurs in Antwerpen 1918 en 1944-1945.

Antoon Vrins. De afrekening. Geweld tegen collaborateurs in Antwerpen 1918 en 1944-1945. [Deurne] 2024, Ertsberg, 333 p.

Toen de Duitse bezetter zich op het einde van de Eerste en Tweede Wereldoorlog uit Antwerpen terugtrok, rekende het volk af met degenen die met de bezetter samengewerkt hadden, de collaborateurs. Die afrekening ging meestal gepaard met veel geweld: de huizen van de collaborateurs – echte of vermeende – werden in brand gestoken, de gevels werden besmeurd, er werden hakenkruisen op geschilderd, de inboedel werd de straat op gegooid en vernietigd, in brand gestoken of gestolen, collaborateurs werden naar interneringskampen gebracht door de zgn. Witte Brigade, ze werden vernederd, geslagen, uitgejouwd, de collaborerende vrouwen werden kaalgeschoren. Dit alles onder luid geroep en gejuich van de omstanders. 

In het naoorlogse discours over WO II wordt deze episode – in Antwerpen was dat 4 en 5 september 1944 en de meidagen 1945 – voorgesteld als een in se betekenisloze uiting van blinde agressie, uitgaande van ‘monsters’ (9). De auteur weigert deze visie te volgen en probeert het ‘als een verschijnsel van betekenis’ (14) te erkennen. Hij concentreert heel zijn boek op de vraag wat de geweldplegers heeft bewogen (15). Zo stelt hij dat ‘fysieke agressie via een proces van betekenisgeving getransformeerd wordt tot ‘geweld’, tot sociaal betekenisvolle praktijken’ (18), terwijl ‘wie het geweld bij de bevrijdingen a priori als ‘wild’ of ‘blind’ beschouwt, het als een volstrekt geïsoleerd fenomeen uit zijn historische context licht en daarmee dus uitgesproken ahistorisch te werk gaat’ (19). Het beeld van het ongebreidelde straatgeweld zou in Vlaanderen hardnekkiger zijn dan in de rest van Europa en dat is volgens de auteur te wijten aan de ‘succesvolle instrumentalisering ervan door Vlaams-nationalistische oud-collaborateurs’ (20). Door te focussen op het straatgeweld bij de bevrijding zouden ze hun eigen ‘hand- en spandiensten aan het nationaalsocialistische bezettingsregime’ willen verdonkeremanen’ (20). Om dan heel die afrekening met de ‘zwarten’ te kunnen discrediteren, gebruikten ze doelbewust ‘een amalgaam tussen het recht van de straat en de bestraffing door de staat’. De staat zou mede verantwoordelijk zijn, ‘al was het maar door een gebrek aan optreden’ (20). Wat ook sterk speelde in die strategie was dat ex-collaborateurs stelden gehandeld te hebben niet uit nationaalsocialistische overtuiging, ‘maar uit liefde voor een alternatief vaderland, namelijk Vlaanderen. Ze deden zich voor als nationalistische idealisten die naderhand slachtoffers waren van een zogenaamd anti-Vlaamse repressie van de haatdragende Belgische staat’ (21). De staat zou ‘een soort pogrom’ georganiseerd hebben. De auteur verwerpt de stelling dat het geweld toe te schrijven was politieke machinaties om de macht te grijpen (door de communisten), waardoor de daders ‘willoos grauw’ waren dat ‘op afroep gemobiliseerd kon worden’ (dit is in een notedop de visie van historicus Lode Wils). De auteur is het ook niet eens met de benadering van Koen Aerts, eveneens specialist in deze materie, die de justitie van de staat contrasteert met de volkse wraak, want dit zou de suggestie kunnen wekken dat de volksafrekening weinig met gerechtigheid te maken heeft (22).

Het boek van Vrins gaat over de bestraffing van de collaborateurs op straat. Wat was de boodschap? Wat wilde men ermee bereiken? Wie werd geviseerd en waarom? Door welke opvattingen van rechtvaardigheid lieten de straatridders zich leiden? Wat was de voorgeschiedenis? Tegen welk gedrag van de collaborateurs kwamen ze in opstand? De auteur vindt dat ‘wie de betekenis van de acties tegen collaborateurs wil achterhalen, ze ernstig moet nemen als een volwaardige, volkse vorm van justitie’. Hij wil de these weerleggen dat het hier niet zomaar ‘een uitbarsting van blinde agressie in de marge van statelijke bestraffing was, maar een alternatieve vorm van justitie’ (23). Hij wil ‘de logica van het geweld’ doorgronden (28). 

De kerngedachte van Vrins is dat de collaborateurs normovertreders zijn, die allerlei (al dan niet expliciete) verwachtingspatronen (fatsoen, medeleven, vaderlandsliefde) aan hun laars lapten en daardoor de woede en de haat opriepen van de mensen, de buurtbewoners die onder hun gedrag te lijden hadden. Laten we alles eens op een rijtje zetten: 

  • voedselschaarste, manklopende ravitaillering, ‘georganiseerde verarming’ (114), hongertochten, diefstal en fraude om te overleven (collectieve overvallen op broodkarren), de ongelijkheid, de oneerlijke verdeling van voedsel, de collabo’s die profiteerden van de situatie 
  • sommige collabo’s verrijkten zich op de rug van de gemeenschap; de woekerprijzen voor brood en vlees; de bezetter zou broodnodig voedsel exporteren naar Duitsland 
  • verplichte tewerkstelling in Duitsland (najaar 1942) werd ervaren als brutale machtspolitiek 
  • dreiging met verklikking aan de bezetter door collabo’s (wegens anti-Duitse gezindheid, luisteren naar Radio-Londen, anti-Duitse pamfletten, anglofilie) en de straffeloosheid van dit infame gedrag 
  • verzet tegen de bezetter (sluikpers, clandestien vakbondswerk, onderduiken en hulp aan onderduikers, opzetten van inlichtingendiensten, burgerlijke ongehoorzaamheid, sabotage, hulp aan de geallieerden, uitschakeling van collabo’s) 
  • bedreigingen aan het adres van en sociaal isolement van de collaborateurs, bezoedeling van hun woningen, aankondigingen dat gerechtigheid zou geschieden (‘het uur der vergelding’), sociale smetvrees (wie vriendschappelijk omging met notoire collaborateurs was ook verdacht). 

Toen het einde van de oorlog in zicht was, wilden de ‘bevrijders’ van de straat de sporen van de oude orde verwijderen en vernietigen - het gehate hakenkruis, de portretten en bustes van Hitler, gebouwen die door de bezetter gebruikt werden, magazijnen waar voedsel opgeslagen werd. De diefstal van Duitse waren werd doorgaans als legitiem beschouwd, maar soms was er ook verzet tegen. Het waren de symbolen van de bezetter die ritueel vernietigd moesten worden. Duitse gebouwen werden aangevallen, de ruiten sneuvelden, soms werden ze in brand gestoken. De betrapte collaborateur werd door de straten meegevoerd, tentoon gesteld, hij moest de handen boven het hoofd houden, soms op de knieën gaan zitten en de Belgische vlag kussen. ‘Moffenhoeren’ werden kaalgeschoren en voor ieders ogen vernederd. Daarom spreekt de auteur liever over ‘zuivering’ dan over ‘repressie’ (= strafrechtelijke formule) om de informele bestraffing van de ‘zwarteriken’ aan te duiden (165). Het vuur speelde hier een belangrijke, rituele rol: het zuiverde het huis, de buurt, de stad van onreine krachten, het afscheren van het hoofdhaar van collaborerende vrouwen had ‘een uitgesproken seksuele lading’: ‘de bezoedeling die voortsproot uit (lijfelijke) contacten met de Duitsers werd symbolisch ongedaan gemaakt’ (169). Enigmatisch is de uitspraak: ‘Collaborerende mannen werden nimmer aangesproken op mogelijke seksuele contacten met leden van de Duitse bezettingsmacht. Bij vrouwen bestond daarentegen de neiging om de collaboratie in seksuele termen te definiëren.’ (170). Bedoelt de auteur dat er geen gevallen bekend zijn van homoseksuele relaties tussen collabo’s en Duitse bezetters? 

Uitvoerig komt in dit boek de beroemde episode in de Dierentuin van Antwerpen ter sprake in de septemberdagen 1944. Collaborateurs werden naar de Zoo gebracht en daar opgesloten in een leeuwenkooi, waar ze door de juichende menigte uitgelachen, vernederd en verwenst werden (6-10, 170-173). Het is een van de meest tot de verbeelding sprekende taferelen van de bevrijding, die door goedpraters van de collaboratie aangehaald wordt om de primitieve, irrationele, blinde woede van het ‘gepeupel’ te demonstreren. Dit extreme geweld had soms zelfmoorden tot gevolg (‘zij verkozen de fysieke boven de sociale dood’) (179). Er is zelfs sprake van een ‘collectieve zelfmoord’ (180), alhoewel het ‘collectief’ slechts uit twee mensen leek te bestaan.

De bevrijders hadden geen vertrouwen in ‘opportunistische positiewisselingen’ (181), het kazak draaien van collaborateurs die de vergelding zagen aankomen en gauw van kamp wisselden in de hoop zich te kunnen witwassen (182, hier zeker juiste beeldspraak). Om aan de volkswoede te ontsnappen, hingen ze de Belgische driekleur aan hun huis, liepen ze rond met Belgische vlaggen, sloten ze zich aan bij de ‘witten’, maar de tolerantie tegenover deze ontsnappingspogingen was nihil.

De bevolking die onder de bezetting te lijden had gehad, was massaal bereid tot aangiften en stemden in met de massale internering van Duitsgezinden. Volgens de auteur kwam die internering er door de druk van onderop (189). Achteraf gezien, heeft deze internering positieve gevolgen gehad: ‘De internering heeft de potentieel levensbedreigende, gewelddadige eigenrichting tegenover collaborateurs zeker ingeperkt’ (191). Er zijn ook heel wat gevallen bekend van ‘zwarten’ die voor hun veiligheid of leven vreesden en zich vrijwillig gingen aangeven bij de autoriteiten om te ontsnappen aan de volkswoede. Een bekend voorbeeld is Filip De Pillecyn, wiens huis in september 1944 gemolesteerd werd en die zichzelf ging aangeven. Het is me niet duidelijk waarom diens getuigenis in Face au mur (1979) in dit boek niet vermeld/gebruikt wordt.

Veel is ook te doen geweest over de vraag of de volkswoede spontaan was of georkestreerd? Was er een ‘overkoepelend plan’ (‘groot masterplan’, 197-198) of was het allemaal spontaan? De auteur heeft overtuigend aangetoond dat de volkssancties een hele voorgeschiedenis hadden (197). Ze waren gericht tegen ‘mensen die zich door hun aanhoudende en manifeste overschrijding van de gedeelde normen, waarden en gedragspatronen buiten de gemeenschap hadden gezet’, zodat ze voor niemand onverwacht kwamen (198). De indruk dat het wel georganiseerd was, wordt ook gewekt door het begrip ‘Witte Brigade’, maar dit betekende niet dat ‘een eenvormige organisatie de bevrijding uit de clandestiniteit’ leidde (200). Eigenlijk was het begrip Witte Brigade (1941 opgericht) een ‘pars pro toto voor alle verzetsorganisaties’ (201). Dat nogal wat collaborateurs zich bij die brigade hebben aangesloten om aan de repressie te ontsnappen, heeft bijgedragen aan het discours over de ‘septemberweerstanders’ die te elfder ure hun zak hadden gedraaid. Niet iedereen in de brigade was het eens met de lynchpartijen (eigenrichting), de plunderingen of het kaalscheren.

Onder de bevolking bestonden uiteenlopende ‘tolerantiedrempels’ ten aanzien van diverse types collaboratie (213). Zo was er veel meer tolerantie jegens economische collaboratie van industriëlen (die aan het Duitse leger leverden), maar het waren wel de detailhandelaars die het mikpunt werden van het ressentiment van de bevolking (218). De rijkdom, de luxueuze levensstijl van sommige collabo’s staken de ogen uit van de bevolking die jaren te lijden had gehad onder voedselschaarste. Mikpunt bij uitstek waren de woekerhandelaars (229). Volgens de auteur werden de plunderingen van ‘zwarte’ inboedels niet ingegeven door economische motieven (237). Soms werden de geplunderde goederen (huisraad, meubelen, luxegoederen) overgedragen aan slachtoffers van de bezetting.

Velen zijn ervan overtuigd dat acties tegen de collaborateurs geïnspireerd waren door ‘puur persoonlijke wraaknemingen’, maar dit zou niet beantwoorden aan de historische realiteit (248). De slaagkansen van om persoonlijke redenen ‘een appeltje te schillen met een buurman of kennis’ waren gering, want de bevolking moest wel overtuigd zijn van diens schuld (250). Met de definitieve nederlaag van Duitsland in mei 1945 en de onthullingen over de wreedheden van het nazi-regime en de gruwel van de concentratiekampen kwam het opnieuw tot collectieve acties tegen Duitsgezinden. De minister van justitie zag zich nu verplicht om de verdachten te interneren en ze aldus te beschermen tegen geweldpleging van het volk. Volgens de auteur lag er ook nu geen ‘overkoepelend, communistisch complot’ aan ten grondslag, alhoewel de communisten de onvrede onder de bevolking ‘bewust politiek geïnstrumentaliseerd hebben’ (268). In vlugschriften werd opgeroepen tot een ‘grote kuis’, waarschijnlijk gelanceerd door het verzet ‘met een communistische strekking’ (272). Dat er geen nieuwe golf van geweld tegen de collaborateurs uitbrak, was te danken aan het doortastende optreden van de Antwerpse burgemeester Camille Huysmans die waarschuwde dat ‘de gewapende macht onmededogend zal optreden tegen de daders’ (273). Er kwam geen nieuwe zuiveringsgolf.

In het slothoofdstuk resumeert de auteur zijn bevindingen. Het gaat ‘geenszins om uitbarstingen van blinde agressie’ (277). Hij doet geen uitspraken over het gerechtvaardigde karakter van het ‘bevrijdingsgeweld’ (278), dat voor hem slechts het sluitstuk is van ‘een veel langer proces van uitsluiting en stigmatisering van welbepaalde groepen mensen wier optreden als een normovertreding werd gezien’ (279-280), ‘een volkse vorm van justitie’ (286). De autoriteiten beseften algauw dat er onder de bevolking ‘een enorme druk leefde om streng op te treden’ (287) en hebben dat dan ook officieel gedaan. Na zijn uitvoerige analyse, waarbij honderden archiefstukken geciteerd worden, stelt de auteur zelf de grote vraag: ‘Hoe is het mogelijk dat enkele jaren slechts na de massale participatie van de bevolking in de bestraffing van de collaboratie, de zwarte mythe over een bestiaal, anti-Vlaams pogrom [sic, pogrom is mannelijk] dominant kon worden in Antwerpen en Vlaanderen?’ (289).

Maar daar is waarschijnlijk een andere studie voor nodig. Schaamde men zich achteraf toch voor het gebruikte geweld? Waren de verklaringen, rechtvaardigingen van de daders wel altijd eerlijk? Werd vulgair plunderen niet goedgepraat door politieke of ideologische motieven (net zoals de collaborateurs hun gedrag probeerden goed te praten door hun inzet voor de Vlaamse zaak)? Allemaal vragen die niet meer op te lossen zijn.