Aleksandr Ivinski. Roesskaja literatoera XVIII veka i koeltoernyj proëkt Ekateriny II [De Russische literatuur van de XVIIIe eeuw en het culturele project van Catherina II]

Aleksandr Ivinski. Roesskaja literatoera XVIII veka i koeltoernyj proëkt Ekateriny II [De Russische literatuur van de XVIIIe eeuw en het culturele project van Catherina II]. Moskou, uitgeverij Vodolej, 2023, 399 p. ISBN ISBN 978–5–91763–587–3.

Aleksandr Ivinski is een jonge, productieve filoloog die Russische literatuur doceert aan de Moskouse Staatsuniversiteit en verbonden is aan het Instituut voor Wereldliteratuur van de Russische Academie der Wetenschappen. De laatste jaren heeft hij een grote activiteit aan de dag heeft gelegd, vooral dan op het gebied van de studie van de Verlichting en de Russische literatuur van de 18e eeuw. Zo publiceerde hij in 2012 een aparte studie over het tijdschrift Sobesednik ljoebitelej rossijskogo slova (Gespreksgenoot voor de liefhebbers van het Russische Woord) als uiting van Catherina II’s literatuurpolitiek, alsook over het door haar uitgegeven literaire tijdschrift Vsjakaja vsjatsjina (Koetjes en Kalfjes). Al de her en der gepubliceerde artikelen van de laatste tien jaar heeft hij nu samengebracht in één monografie met een intrigerende titel, waaruit moet blijken dat het ambitieuze project van de Russische keizerin erin bestond een eigentijdse, nationale literatuur uit de grond te stampen. In dit opzet is hij voortreffelijk geslaagd en daarvoor moet hij afrekenen met heel wat heilige huisjes van de Russische en vooral Sovjetse literatuurgeschiedenis.

De steeds weer herhaalde visie van zo goed als alle Sovjetse literatuurhistorici komt erop neer dat er onder Catherina twee kampen bestonden : aan de ene kant de autoriteiten, de keizerin zelf, aan de andere kant de haar vijandig of kritisch gezinde oppositie. De strijd tussen beide kampen zou in deze visie uitgevochten zijn op de bladzijden van de talrijke satirische tijdschriften die in de jaren 1760-1770 als paddenstoelen uit de grond schoten. In deze visie werd het kamp van de autoriteiten vertegenwoordigd door de tijdschriften Vsjakaja vsjatsjina en Sobesednik, waarin voorzichtige kritiek op bestaande toestanden werd geuit, weliswaar in voor de regering gunstige zin – kritiek op algemeen-menselijke tekorten, obscurantisme, onwetendheid, domheid, achterlijkheid, maar nooit kritiek ad hominem (na litso). Het oppositionele kamp vond dan een spreekbuis in tijdschriften als Troeten (De Hommel), Zjivopisets (De Schilder) e.v.a. Daarin zou het wereldbeeld van de keizerin en haar trawanten dan op de korrel zijn genomen. De oppositie zou een strijd tegen het ‘vervloekte tsarisme’ gevoerd hebben op de bladzijden van de literaire tijdschriften (125). De enige Sovjetse literatuurhistoricus die Ivinski nog de moeite vindt om te citeren – Goekovski – heeft het idee van een ‘adellijke fronde’ tegen de keizerin uitgevonden en daardoor het concept van twee vijandige kampen (369).

Het blijft natuurlijk een paradox dat het uitgerekend een zogezegd autocratische heerseres zelf was die haar ‘onderdanen’ ertoe heeft opgeroepen om literatuur te bedrijven, mee te werken aan de voorlichting van het volk en aan de ‘Verlichting’ van de natie en daarbij kritiek en satire niet te sparen. Door sommige historici is dit te verklaren door het pseudoliberalisme van de keizerin (gecanoniseerd door de eerste Russische marxist Plechanov) (371), die op papier allerlei liberale ideeën omhelsde, maar in de praktijk optrad tegen wie te ver ging in zijn kritiek op bestaande toestanden. In elk geval is dit een uitzonderlijk iets in de Russische geschiedenis : we kennen geen andere Russische tsaar of commissaris die zijn volk opriep om te schrijven en misstanden te lijf te gaan.

Het doel van Ivinski’s boek is deze vastgeroeste visie op de literatuur van de 18e eeuw onderuit te halen. Catherina begreep dat cultuur een belangrijk instrument is in het tot stand brengen van de politiek van het imperium (5). Opdat de aristocratie en de bureaucratie de macht zouden steunen, moest een nieuwe elite gecreëerd worden. Ze gaf het voorbeeld door zelf literaire tijdschriften op te richten en alle mogelijke literaire genres te beoefenen en dit in de taal van het land (Russisch) en niet, zoals Frederik II, in het Frans (omdat hij de landstaal “barbaars” vond). Ze baseerde zich daarbij op westerse voorbeelden en probeerde via haar tijdschriften Koetjes en Kalfjes en Gespreksgenoot haar landgenoten de cultuur van het savoir vivre en het beeld van de honnête homme bij te brengen (38). Ivinski wil niet op de verschillen tussen de verschillende fracties wijzen, iets waarop Sovjetse historici zich blind gestaard hebben, maar op de overeenkomsten binnen één paradigma (6). Haar grootste verdienste ziet hij dan in het tot stand brengen van ‘een literaire ruimte die een ingewikkelde keten is van niet-formele relaties tussen de hoogste macht en de elite en waar de dichters (schrijvers) de rol van bemiddelaars kregen toegewezen die het politieke en culturele project van de keizerin steunden en samen met haar werkten aan een nieuwe cultuurtaal die nodig was om dat project te kunnen realiseren’ (6).

Het interpretatiemodel ‘satirische journalistiek’, dat decennialang gehanteerd werd om de literaire situatie onder Catherina te beschrijven, wijst Ivinski van de hand. Het is niet adequaat en is niet bij machte allerlei fenomenen te verklaren. De zogenaamde oppositie kwam vaak neer op niet meer dan kleine meningsverschillen, uiteindelijk was het de goede smaak die overwon (9). De meest geciteerde naam in de zgn. oppositie is die van Nikolaj Novikov, die zich in zijn tijdschriften afgezet zou hebben tegen Catherina en haar literaire geestesgenoten, terwijl hierbij uitgegaan wordt van het conflict tussen de keizerin en de Verlichter in 1792, dat alles te maken had met zijn geflirt met de vrijmetselarij, die Catherina, niet helemaal zonder reden, voor gevaarlijk hield (114). Volgens Ivinski vocht De Hommel van Novikov samen met Koetjes en Kalfjes van de keizerin tegen de onwetendheid (116). Van een conflict tussen beiden kan nauwelijks sprake zijn (119).

Zo goed als alle belangrijke literaire figuren van de 18e eeuw passeren de revue en Ivinski analyseert geduldig hun zgn. polemieken met de ‘officiële’ pers – Soemarokov, Trediakovski, Fonvizin (al de motieven in zijn toneelstuk De Landjonker zijn terug te vinden in Catherina’s tijdschrift Koetjes en Kalfjes), Derzjavin (zijn ode op Catherina – Felitsa – past helemaal in haar beeld van de ideale heerser), Dasjkova, Karamzin (zijn concept van de geschiedenis komt overeen met dat van Catherina). In alle gevallen slaagt de auteur erin, aan de hand van tientallen citaten, duidelijk te maken dat al deze schrijvers (samen) werkten aan het grote beschavingsproject van Catherina II.

De conclusie van Ivinski is niet mals : ‘De geschiedenis van de Russische literatuur van de XVIIIe eeuw is vele jaren gemythologiseerd en gemystificeerd : ze leefde met de waanbeelden van de (adellijke) oppositie en had het over de strijd tussen de autoriteiten en de ‘verlichters’, waarbij ze niet opmerkten dat de tweeden in het leven geroepen waren door de eersten.’ (381). Dit is een provocatieve uitspraak die, mogen we hopen, een nieuw licht zal werpen op de vaak verkeerd gelezen of voorgestelde literatuur van de Verlichting.